Home / Blog / Reizen In Taal

Reizen In Taal

Reizen In Taal

Onze taal zit vol met leenwoorden. Woorden die we vaak niet eens meer herkennen als exotisch. Het zijn de getuigen van de expansiedrift die de Nederlanders van vroeger de wereldzeeën over liet varen. Want de sporen van handels- en ontdekkingsreizen van weleer zijn niet alleen te zien onze oude stadscentra, maar ook te horen in onze eigen taal.

Sinds de coronacrisis is naast een hoop andere zaken ook ons reisgedrag flink aan banden gelegd. Werken doen we thuis. En ook vakanties over de grens worden sterk afgeraden. Dus even geen stedentripjes meer voor een lang weekend Lissabon of Praag. En al helemaal geen trans-Atlantische vluchten meer naar exotische oorden als Sri Lanka of Patagonië. Nog even los van de reden waarom we nu niet meer reizen en de positieve effecten voor het klimaat, werpt de huidige reisbeperking ons terug in de tijd. Terug naar een tijd dat met name het reizen per vliegtuig een luxe was die de gemiddelde Nederlander zich niet vaker dan een handjevol keren in een leven kon veroorloven. Onze verre recreatieve reizen zijn dan ook de jongste soort aan het reisfirmament. Ons reizen is door de eeuwen heen geëvolueerd en is grofweg te verdelen in drie fases of categorieën. 1) Handel- en ontdekkingsreizen en de daar uit voortvloeiende kolonisatie. 2) Noodgedwongen reizen voor emigratie naar elders of voor werk in de koloniën.  3) Reizen voor ons plezier, mede mogelijk gemaakt door de welvaart die voortkwam uit categorie 1., de categorie die ook het meest van invloed is geweest op onze taal. De ontdekkingsreizigers van weleer kwamen namelijk terug van hun reizen met allerhande goederen. En samen met die spullen werden ook de exotische namen geïmporteerd. Uit Zuid-Amerika kwamen o.a. bananen, ananas, chocola en sigaar en het tot het Nederlandse hangmat verbasterde hammac. Deels rechtstreeks van de inheemse bevolking overgenomen en deels van ander zeevarend volk, in dit geval de Portugezen, waar wij Nederlanders in de VOC-tijd nogal eens mee overhoop lagen. Niet alleen op het Zuid-Amerikaanse continent in wat nu Brazilië is, maar ook in Zuidoost-Azië, in het voormalig Nederlands Indië. Want als er geen handel werd gedreven, dan werd er gevochten. Er heeft in die tijd en in dat gebied veel uitwisseling van leenwoorden plaatsgevonden tussen het Nederlands, het Portugees en lokale Maleise talen. Over vechten gesproken, ons bakkeleien is afkomstig van berkelahi, het Maleise woord voor vechten. We kennen allemaal nasi, saté en pisang, maar pienter, branie en senang komen ook rechtstreeks uit het Maleis. Het gebruik van pruimtabak is hier, behalve bij honkballers, zo goed als uitgestorven, maar in de voormalige kolonie was het een populair genotmiddel. Het daarbij noodzakelijke attribuut, de kwispedoor ontleent zijn naam weer aan het Portugese cuspidor. De bloem van de exotische Hibiscus wordt in het Maleis kembang sepatu genoemd. Wanneer je weet dat kembang, bloem is en dat de knoppen kunnen worden gebruikt om schoenen te poetsen, snappen we ook gelijk de overeenkomst tussen sepatu en het Portugese zapata, schoen. Het oud Portugese leenwoord voor piraat pichelingue geeft wel aan hoe wij Nederlanders destijds bekend stonden. Het stamt namelijk af van de Zeeuwse stad Vlissingen.

Het Nederlands is nooit vies geweest van leenwoorden, Grieks, Latijn, Arabisch, Frans, Duits en Engels hebben om uiteenlopende redenen onze taal verrijkt met een batterij (Fr) leenwoorden waar we pagina’s (Lat) mee kunnen vullen (Theo Maassen heeft er hier een aantal uit het Frans op een rijtje gezet). Het blijft fascinerend om aan de herkomst van woorden de bewegingen van een volk te ontlenen. De vele van oorsprong Yiddische woorden in het Amsterdams (mazzel, gajes, porem, togus) zijn hier gekomen met Joodse migranten uit Oost-Europa.

Opvallend is hoe sommige woorden dan weer doormigreren van het ene taalgebied naar het andere en hoe ze soms met een omweg dan weer in ons taalgebied terechtkomen. Neem het Indiase woord roti. In Indonesië betekent het brood. En wij kennen dat ‘brood’ in iets plattere vorm weer uit Suriname waar het dankzij Indiase migranten terecht is gekomen.

Voeger moesten we ervoor op reis, maar tegenwoordig gaat alles een stuk sneller en krijgen we onze leenwoorden gewoon via de computer en de smartphone (beide in het Groene Boekje). Als vertalers zijn we altijd op zoek naar Nederlandse equivalenten voor buitenlandse woorden. Maar de geschiedenis leert ons dat vertalen soms nergens voor nodig is en dat wij prima in staat zijn om ons vreemde woorden eigen te maken.

Return to main blog